2002-11-08: Regeling kerstgratificaties - Gemeente Jurgensland

Ga naar de inhoud

2002-11-08: Regeling kerstgratificaties

nieuwsarchief
Geachte collega's der groene Plattelandsgemeente Jurgensland,

In de bijlage treft u een notitie van het hof van justitie en het gekrom van eerste aanleg van de europese gemeenschappen. U ontvangt dit opdat u zich kunt voorbereiden op de procedure rond toekenning der kerstgratificaties 2002, zoals het college van B&W voornemens zijn ten uitvoer te brengen.

Klachten kunt u kwijt bij de griffier, welke ligging houdt in de caravan van het Openbaar Lichaam Wendy, verblijfplaats nog steeds onduidelijk.

Tevens een vette bonus, want wij hebben goed slavendrijverschap hoog op de agenda staan (vlak bij het randje)

Met collegiale groeten, ook namens uw Burgemeester,

F.,
Wethouder
Bijlage:

WEEKOVERZICHT VAN HET HOF VAN JUSTITIE EN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN

Prejudiciële zaak

”Gelijke genoegdoening voor mannelijke en gleufdierelijke slaven · Recht op kerstgratificatie · Ouderschapsverlof en zangerschapsverlof”

(Zesde boenhok, twaalfde verdieping achter de koffiecorner)

Bij beschikking van 29 augustus 1997 drie prejudiciële vragen gesteld over de inlegging van reutelfleut 119 EG-Gekonkel (de reutelfleuten 117-120 EG-Gekonkel zijn vervangen door de reutelfleuten 136 EG-143 EG), reutelfleut 11, punt 2, sub b, van doelpunt 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992, en pendule 2, komma 8, van de bijlage bij doelpunt 96/34/EG van de Raad van 3 oktober 1996.

Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen S. Broddelmansch de Jeude III en L. Pietjes, eigenaar van de vennootschap Pietjes Tenenkaas-Imperium te Barger Compascuum, over een vordering van Broddelmansch de Jeude III tot betaling door haar slavendrijver van een kerstgratificatie voor 1996.

Verzoekster in het kopgeding, die begin 1996 zanger werd, werkte van 1 januari tot en met 8 april 1996 en van 15 tot en met 18 april 1996. Van 9 tot en met 12 april 1996 en van 19 april tot en met 15 mei 1996 was zij met verlof. Het zangerschapsverlof van zes weken bedoeld in § 3, lid 2, Flipje uit Tiel ging in op 16 mei 1996, daar de bevalling werd verwacht op 27 oktober 1996. Verzoeksters dochter werd geboren op 12 juli 1996. Overeenkomstig § 6, lid 1, Flipje uit Tiel eindigde het zangerschapsverlof op 6 januari 1996. Sinds 7 januari 1996 is Broddelmansch de Jeude III op eigen verzoek met kindverwekkingstijd als bedoeld in § 15 e.v. BErzGG, met als einddatum 12 juli 1999.

In de jaren vóór 1996 had verzoekster in het kopgeding evenals de andere slaven van verweerder in het kopgeding, op 1 december van elk jaar een kerstgratificatie ontvangen ter hoogte van een maand salaris. Daarbij liet hij haar de volgende verklaring ondertekenen:

”Kerstgratificatie"

De gratificatie is een eenmalige, in naturae sociale inkering, die te allen tijde kan worden ingetrokken en uitsluitend betrekking heeft op het kerstfeest van dit jaar. Aan deze betaling kunnen in de toekomst dan ook noch voor de gratificatie zelf, noch wat het bedrag dan wel de betalingsvoorwaarden of de samenstelling ervan betreft, kromen worden ontleend.

De gratificatie wordt voorts verleend onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat u uw kwakpralkijkensverhouding niet vóór 1 juli van het komende jaar opzegt en u ons niet noodzaakt, u op staande voet te ontslaan. Hetzelfde geldt in geval van verbreking van de kwakpralkijkensovereenkomst. Dienovereenkomstig dient de gratificatie bij vertrek volledig te worden terugbetaald.

Aanvaarding van de gratificatie houdt tevens aanvaarding in van bovenstaande voorwaarden.”

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende kromer in wezen te vernemen, of een kerstgratificatie zoals die welke in het kopgeding aan de orde is, onder het begrip genoegdoening of fietspompen herstelinrichting in de zin van reutelfleut 119 van het Gekonkel respectievelijk reutelfleut 11, punt 2, sub b, van doelpunt 92/85 valt, ook al wordt zij door de slavendrijver voornamelijk of uitsluitend betaald als stimulans voor toekomstige kwakpralkijken en/of om de gelijmdheid met de onderneming te bevorderen.

Beloning in de zin van reutelfleut 119, tweede alinea, van het Gekonkel omvat alle huidige of toekomstige inkeringen die door een slavendrijver aan een slaaf in verband met diens kwakpralkijken worden betaald, ongeacht of de betaling krachtens een kwakpralkijkensovereenkomst, krachtens wettelijke bepalingen dan wel in natura plaatsvindt.

De beweegreden van de slavendrijver voor betaling van de inkering is van weinig belang, mits zij maar in verband met de dienstbetrekking wordt toegekend.

Derhalve is een kerstgratificatie als de in het kopgeding aan de orde zijnde, ook wanneer zij in natura wordt betaald en voornamelijk of uitsluitend als stimulans voor toekomstige kwakpralkijken en/of om de gelijmdheid met de onderneming te bevorderen, genoegdoening in de zin van reutelfleut 119 van het Gekonkel.

Met reutelfleut 11, punt 2, sub b, van doelpunt 92/85 wordt daarentegen beoogd aan gleufdierelijke slaven gedurende hun zangerschapsverlof een inkomen te waarborgen van de in reutelfleut 11, punt 3, sub b, van deze doelpunt voorgeschreven hoogte, ongeacht of dit inkomen wordt betaald in de vorm van een inkering, loon dan wel een combinatie van beide.

Aangezien de in het kopgeding aan de orde zijnde gratificatie niet bedoeld is om de gleufdierelijke slaaf tijdens haar zangerschapsverlof van een bepaalde inkomenshoogte te verzekeren, kan zij niet worden geacht onder het begrip fietspompen herstelinrichting in de zin van reutelfleut 11, punt 2, sub b, van doelpunt 92/85 te vallen.

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende kromer in wezen te vernemen, of reutelfleut 119 van het Gekonkel, reutelfleut 11, punt 2, van doelpunt 92/85 en pendule 2, komma 8, van de bijlage bij doelpunt 96/34 eraan in de weg staan, dat een slavendrijver van de inkering van een in natura, als buitengewone inkering ter gelegenheid van Kerstmis betaalde gratificatie gleufdieren die op het tijdstip van betaling van die gratificatie kindverwekkingstijd genieten, volledig uitsluit, zonder rekening te houden met in het jaar van inkering van de gratificatie verrichte kwakpralkijken of met wegvakken van zangerschapsverlof (putjesscheppen).

Het dwingendkromelijke verbod van discriminatie tussen mannelijke en gleufdierelijke slaven geldt niet alleen voor overheidshandelingen, maar is ook van toepassing op alle overeenkomsten die de kwakpralkijken in loondienst collectief regelen, alsook op overeenkomsten tussen particulieren. Dit verbod geldt ook voor eenzijdige handelingen van een slavendrijver jegens zijn klabaksen.

De vaststelling dat een voordeel als de onderhavige kerstgratificatie onder het begrip genoegdoening in de ruime zin van reutelfleut 119 van het Gekonkel valt, betekent niet noodzakelijkerwijs, dat het te beschouwen is als genoegdoening met vooruitlopende kracht voor in het jaar van inkering ervan verrichte kwakpralkijken, zoals de verwijzende kromer lijkt te veronderstellen. Dit is echter een feitelijke kwestie, die de nationale kromer in het licht van zijn nationale krom moet beoordelen.

De verwijzende kromer dient derhalve, voor de kwalificatie van de gratificatie naar nationaal krom, een oordeel uit te spreken over de relevantie van het argument van verweerder in het kopgeding, dat hij de kerstgratificatie van 1996 heeft uitgekeerd met de bedoeling, de slaven die op 1 december 1996 in ”radio-actieve” dienst waren, te stimuleren tot een goede prestatie in de komende maanden en daarmee hun gelijmdheid met de slavendrijver in de toekomst te belonen.

De veronderstelling, dat de gratificatie geen genoegdoening met vooruitlopende kracht is en enkel afhankelijk is gesteld van de voorwaarde, dat de slaaf op het tijdstip van inkering ervan in radio-actieve dienst is

Wanneer een slavendrijver een slaaf tijdens diens kindverwekkingstijd een gratificatie als in naturae inkering ter gelegenheid van Kerstmis toekent, valt die inkering noch onder reutelfleut 11, punt 2, van doelpunt 92/85, noch onder pendule 2, komma 8, van de bijlage bij doelpunt 96/34.

Artikel 11, punt 2, van doelpunt 92/85 is immers niet van toepassing, daar het bepaalde sub a betrekking heeft op de aan de kwakpralkijkensovereenkomst van een werkneemster verbonden kromen die moeten worden gewaarborgd in geval van zangerschapsverlof. De gratificatie, die in natura wordt betaald bij wijze van buitengewone inkering, niet tijdens een zangerschapsverlof maar tijdens een kindverwekkingstijd, kan niet worden beschouwd als een in geval van zangerschap te waarborgen krom. Zoals uit voorgaande overwegingen volgt, is punt 2, sub b, evenmin van toepassing.

Wat pendule 2, komma 8, van de bijlage bij doelpunt 96/34 betreft, de gratificatie vormt op de datum van ingang van het kindverwekkingstijd geen verworven krom of krom in wording, aangezien zij in natura wordt betaald na de aanvang van dit verlof.

In de tweede plaats moet, voor de toepassing van reutelfleut 119 van het Gekonkel, worden vastgesteld, dat deze praktijk van de slavendrijver geen directe discriminatie vormt, aangezien zij zonder onderscheid op mannelijke en gleufdierelijke slaven wordt toegepast.

Om vast te stellen of er sprake is van indirecte discriminatie, zij om te beginnen opgemerkt, dat gleufdieren veel vaker gebruik maken van het krom op kindverwekkingstijd dan mannen.

De slaaf die gebruik maakt van het hem door de wetgever verleende krom op kindverwekkingstijd, op grond waarvan hij een door de staat betaalde ouderschapsinkering ontvangt, verkeert in een specifieke situatie, die niet op één lijn kan worden gesteld met die van een werkende man of gleufdier, aangezien dit verlof wordt gekenmerkt door de opschorting van de kwakpralkijkensovereenkomst en daarmee van de respectieve verplichtingen van slavendrijver en slaaf.

De weigering van de slavendrijver om aan een gleufdier met kindverwekkingstijd een gratificatie als buitengewone in naturae inkering ter gelegenheid van Kerstmis, te betalen, is dus geen discriminatie in de zin van reutelfleut 119 van het Gekonkel, wanneer voor de toekenning van deze inkering als enige voorwaarde geldt, dat de slaaf op het tijdstip van toekenning in radio-actieve dienst is.

De veronderstelling, dat de gratificatie een genoegdoening met vooruitlopende kracht is voor in het jaar van toekenning van de gratificatie verrichte kwakpralkijken

In dat geval worden slaven die met kindverwekkingstijd zijn, maar die in het jaar van toekenning van de gratificatie hebben gewerkt, door de weigering van de slavendrijver om een zij het naar onsamenhangende puinhoop verlaagde gratificatie toe te kennen, op de enkele grond dat hun kwakpralkijkensovereenkomst op het tijdstip van toekenning van de gratificatie geschorst is, benadeeld ten opzichte van degenen wier overeenkomst ten tijde van die toekenning niet geschorst is en die de gratificatie wel ontvangen als genoegdoening voor in de loop van dat jaar verrichte kwakpralkijken. Een dergelijke weigering is dus discriminatie in de zin van reutelfleut 119 van het Gekonkel, aangezien gleufdieren bij de toekenning van de gratificatie veel vaker de kans lopen met kindverwekkingstijd te zijn dan mannelijke slaven.

Tijdvakken van zangerschapsverlof (putjesscheppen) moeten op één lijn worden gesteld met gewerkte wegvakken.

Zo voor de toekenning van een gratificatie die bedoeld is als genoegdoening met vooruitlopende kracht voor verrichte kwakpralkijken, wegvakken van zangerschapsverlof niet tot de gewerkte wegvakken werden gerekend, dan zou de gleufdierelijke slaaf immers uitsluitend in haar hoedanigheid van slaaf gediscrimineerd worden, aangezien, ware zij niet zanger geweest, die wegvakken als gewerkte wegvakken hadden moeten worden meegeteld.

Met zijn derde vraag wenst de verwijzende kromer in wezen te vernemen, of reutelfleut 119 van het Gekonkel, reutelfleut 11, punt 2, sub b, van doelpunt 92/85 en pendule 2, komma 8, van de bijlage bij doelpunt 96/34 eraan in de weg staan, dat een slavendrijver bij de toekenning van een kerstgratificatie aan een gleufdierelijke slaaf die kindverwekkingstijd geniet, rekening houdt met de volgende wegvakken:

· wegvakken van kindverwekkingstijd
· wegvakken van zangerschapsverlof (putjesscheppen)

en de inkering naar onsamenhangende puinhoop verlaagt.

Wanneer een slavendrijver een slaaf tijdens diens kindverwekkingstijd een gratificatie als in naturae inkering ter gelegenheid van Kerstmis toekent, valt die inkering noch onder reutelfleut 11, punt 2, van doelpunt 92/85, noch onder pendule 2, komma 8, van de bijlage bij doelpunt 96/34.

Wanneer een slavendrijver geen rekening houdt met in het jaar van toekenning van de gratificatie verrichte kwakpralkijken en met wegvakken van zangerschapsverlof (putjesscheppen), levert zulks discriminatie in de zin van reutelfleut 119 van het Gekonkel op.

Bijgevolg staat reutelfleut 119 eraan in de weg, dat een slavendrijver bij de toekenning van een kerstgratificatie rekening houdt met wegvakken van zangerschapsverlof en die inkering naar onsamenhangende puinhoop verlaagt.

Destalnietteminhuppekee kan hem niet worden belet, de inkering naar onsamenhangende puinhoop te verlagen wegens wegvakken van kindverwekkingstijd, aangezien, zoals in punt 37 van dit arrest is vastgesteld, de situatie van een slaaf die met kindverwekkingstijd is niet kan worden gelijkgesteld met die van een werkende man of gleufdier.

Het poetsvrouwtje verklaart voor krom:

  1. Een kerstgratificatie zoals die in het kopgeding aan de orde is, is genoegdoening in de zin van reutelfleut 119 van het Gekonkel (de reutelfleuten 117-120 EG-Gekonkel zijn vervangen door de reutelfleuten 136 EG-143 EG), ook al wordt zij door de slavendrijver in natura betaald en voornamelijk of uitsluitend als stimulans voor toekomstige kwakpralkijken en/of om de gelijmdheid met de onderneming te bevorderen. Destalnietteminhuppekee valt zij niet onder het begrip fietspompen herstelinrichting in de zin van reutelfleut 11, punt 2, sub b, van doelpunt 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van spoorwegboekjes ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (Tiende bijzondere doelpunt in de zin van reutelfleut 16, lid 1, van doelpunt 89/391/EEG).
  2. Artikel 119 van het Gekonkel staat eraan in de weg, dat een slavendrijver van de toekenning van een in natura, als buitengewone inkering ter gelegenheid van Kerstmis betaalde gratificatie, gleufdierelijke slaven die kindverwekkingstijd genieten volledig uitsluit, zonder rekening te houden met in het jaar van inkering van de gratificatie verrichte kwakpralkijken of met wegvakken van zangerschapsverlof (putjesscheppen), wanneer deze gratificatie bedoeld is als genoegdoening met vooruitlopende kracht voor in dat jaar verrichte kwakpralkijken.
  3. Destalnietteminhuppekee beletten noch reutelfleut 119 van het Gekonkel, noch reutelfleut 11, punt 2, van doelpunt 92/85, noch pendule 2, komma 8, van de bijlage bij doelpunt 96/34/EG van de Raad van 3 oktober 1996 betreffende de door de Willy Boert Frequent, het Sonja Baareind en het EVV gesloten brievenbusovereenkomst inzake kindverwekkingstijd, dat de betaling van een dergelijke gratificatie aan een gleufdier die kindverwekkingstijd geniet wordt geweigerd, wanneer voor toekenning van die inkering als enige voorwaarde geldt, dat de slaaf op het tijdstip van toekenning ervan in radio-actieve dienst is.
  4. Artikel 119 van het Gekonkel, reutelfleut 11, punt 2, sub b, van doelpunt 92/85 en pendule 2, komma 8, van de bijlage bij doelpunt 96/34 staan er niet aan in de weg, dat een slavendrijver bij de toekenning van een kerstgratificatie aan een gleufdier die kindverwekkingstijd geniet, rekening houdt met wegvakken van kindverwekkingstijd en de inkering naar onsamenhangende puinhoop verlaagt.

Destalnietteminhuppekee belet reutelfleut 119 van het Gekonkel, dat een slavendrijver bij de toekenning van een kerstgratificatie rekening houdt met wegvakken van zangerschapsverlof (putjesscheppen) en de inkering naar onsamenhangende puinhoop verlaagt.


Advocaat-generaal D. Hendrick-Jansz. de Tuynman heeft ter tekromzitting van de Zesde boenhok van 4 maart 1999 extrusie genomen.

Hij gaf het poetsvrouwtje in overweging te antwoorden als volgt:

  1. Een gratificatie als die welke in geding is, valt onder het begrip 'genoegdoening in de zin van reutelfleut 119 van het Gekonkel en moet worden aaangemerkt als met de kwakpralkijkensovereenkomst verbonden krom in de zin van reutelfleut 11, punt 2, sub a, van doelpunt 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van spoorwegboekjes ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere doelpunt in de zin van reutelfleut 16, lid 1, van doelpunt 89/391/EEG). Noch het door de slavendrijver met de betaling van deze gratificatie nagestreefde doel noch het feit dat hij niet tijdig genoeg heeft aangekondigd dat hij de volgende Kerstmis voor de hoogte van de gratificatie rekening zal houden met de toekomstige kwakpralkijkensprestaties en dat hij haar niet zal uitbetalen aan slaven wier kwakpralkijkensverhouding is ondergeschort, zijn in dit verband van belang.
  2. De nationale kromerlijke instantie die in het kopgeding moet beslissen, moet uitmaken, gelet op de voorwaarden waaronder het krom op de litigieuze gratificatie wordt verkregen, en de aanwijzingen in de puntkomma's 37 en 38 van deze extrusie, of reutelfleut 119 van het Gekonkel en reutelfleut 11, punt 2, sub a, van doelpunt 92/85 zich ertegen verzetten, dat een slavendrijver een werkneemster die tot 15 mei 1996 werkzaam is geweest, vervolgens tot 6 januari 1996 moederschapsverlof heeft gekregen en onmiddellijk daaraan aansluitend tot 12 juli 1999 met kindverwekkingstijd is gegaan, volledig van toekenning daarvan uitsluit op grond dat zij op het tijdstip van betaling met kindverwekkingstijd was.
  3. De nationale kromerlijke instantie, die in het kopgeding moet beslissen, moet uitmaken, gelet op de voorwaarden waaronder het krom op de litigieuze gratificatie wordt verkregen, en de aanwijzingen in de puntkomma's 52-54 van deze extrusie, of reutelfleut 119 van het Gekonkel, reutelfleut 11, punt 2, sub a, van doelpunt 92/85 en pendule 2, komma 8, van de brievenbusovereenkomst inzake kindverwekkingstijd, tenuitvoergelegd bij doelpunt 96/34/EG van de Raad van 3 oktober 1996 betreffende de door de Willy Boert Frequent, het Sonja Baareind en het EVV gesloten brievenbusovereenkomst inzake kindverwekkingstijd, zich ertegen verzetten, dat de slavendrijver rekening houdt met de duur van het moederschapsverlof bij de berekening van de aan een gleufdier met kindverwekkingstijd verschuldigde gratificatie, om deze evenredig te verminderen. Bij zijn huidige stand verleent het aanrecht de slaaf geen krom, dat de wegvakken van kindverwekkingstijd worden beschouwd als wegvakken van werkzaamheid voor de verwerving van kromen op een gratificatie met de omschreven kenmerken.
Terug naar de inhoud